Home > Column > Oorlog

Op een zonnige middag zat ik in de vensterbank van onze woonkamer zoals gewoonlijk naar buiten te kijken. Een stel jongens speelde een potje voetbal. Het schemerde al en de straatverlichting sprong aan. Ik hoorde het geroezemoes van de stad die aan mijn voeten lag. Een mengeling van lekkere avondmalen van de buren vulde mijn neus, toen ik het hoorde. Een enorm gegrom. Een geluid dat als een monster naar voren schoof, schuddend, rillend en schreeuwend. Na een enorme knal viel ik van de vensterbank. Daarna klonken nog drie knallen. Of vier, of meer. Het ging heel vlug. Even zag ik niks meer. Toen ik weer kon zien, zag alles er heel anders uit.

Om mij heen was een enorme rommel, alsof een inbreker op zoek naar de goudkist alles op de grond had gesmeten. Ik rook een sterke brandgeur. Mijn keel en ogen brandden. Ik stond op toen ik uit duizenden kelen tegelijk gegil hoorde. Miljoenen stukjes glas lagen overal verspreid. Ik keek uit het raam zonder glas naar de stad die onder een donkere laag stof bedolven lag. Door het stof heen zag ik straatlantarens die nooit meer aan zouden gaan. Duizenden bakstenen die nooit meer een huis konden vormen. Niet voor mij en mijn leeftijdgenootjes, die ook nog niet wisten welk monster uit welke nachtmerrie was ontsnapt om onze stad aan te vallen. Waarom was onze stad aangevallen? Waarheen moesten we vluchten?

Vluchten, een woord dat ons leven overheerst sinds het moment dat het hart van onze stad verwond werd. Wonden die na veertig jaar nog steeds niet zijn hersteld.

Jaren gingen voorbij. We vluchtten eerst uit onze stad en toen uit ons land. Maar nog steeds zit ik dagelijks achter het venster en kijk ik naar mijn land. Ik zie ik hoe het oorlogsmonster weer over mijn land vliegt. Ik ruik de geur die ik toen niet thuis kon brengen. Het is de geur van het zwarte goud in de bodem van mijn land. Iedere dag ben ik angstig of vandaag De Dag zal zijn — de dag waarop zij ons weer gaan aanvallen. Dat wil ik niet. Al is het alleen maar om de kinderen die buiten op de vensterbank zitten. Om de jongens die buiten op straat voetballen. Om de bakstenen die geen herinnering aan de oorlog hebben en de straatlantarens die moeten blijven branden.

Ik zeg Nee tegen een oorlog met Iran, al zou het leiden tot veranderingen binnen het regime. Ik zeg Nee tegen oorlog, want verandering op deze manier wil ik niet, ook al ben ik een van de miljoenen mensen die het land ontvluchtte door toedoen van dit regime.

Ik zeg Nee, al weet ik dat de kreten van het oorlogsmonster mijn woorden zullen overstemmen. Ik laat mijn stem horen en mijn pen spreken, want het zijn mijn enige wapens. Al is het maar om niet te vergeten dat woorden kracht hebben. Dat woorden kunnen toveren.

Wij, de Iraniërs, kunnen en moeten voor verandering zorgen. Een oorlog zal nooit helpen, integendeel. Enorme sancties evenmin. De mensen die zogenaamd bezorgd zijn over het Iraanse gevaar in de regio en het Iraanse regime met zulke maatregelen op de knieën willen dwingen, weten dat maar al te goed. Achter alle bedreigingen en sancties zitten economische belangen — ten koste van vele onschuldige mensen.

Het liefst ga ik terug naar mijn plekje op de vensterbank. Naar het moment dat ik geen oorlog kende. Naar het geroezemoes van mijn stad. Naar alle lekkere geuren van avondmalen. Ik wil even mijn ogen sluiten. Als ik ze weer open, hoop ik dat alles een nare droom was.

  

Firoozeh Farjadnia
https://firoozehfarjadnia.blogspot.com/
Firoozeh Farjadnia groeide op in Kermanshah, een plaats in het Koerdische deel van Iran. In 1995 vluchtte ze op 25-jarige leeftijd naar Nederland, waar ze een opleiding Bouwkunde volgde. Firoozeh schrijft romans, korte verhalen en columns. In 2014 debuteerde ze met de roman Postvogel (uitgeverij Jurgen Maas). In mei 2017 verscheen haar tweede roman in het Farsi. Ze werkt momenteel aan een korte verhalenbundel en aan haar derde roman.